Reis door Balkanparadijs
Dag 1 | 23 februari
De grote regel- en vertrekdag.
Nederland  Duitsland (350 km)
Na maanden van voorbereiding en vooral veel voorpret begint een nieuw avontuur door de Balkan! Deze keer begint de reis met een bezoek aan de dierenarts voor de benodigde papieren voor mijn viervoetige reisgenoot Alex. Rond 13:15 start ik de auto daarna op weg naar... Utrecht. We hebben een afspraak bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit voor het legaliseren van de documenten voor Alex. Dat is nodig om straks Montenegro, Albanië en Noord-Macedonië in te komen. Na het tijdstip van het bezoek aan de dierenarts heb ik precies 120 uur om de grens met Montenegro te bereiken. Maar ik voel me gezegend, want de dame voor me bij de NVWA neemt haar hond mee naar Marokko. Zij heeft slechts 24 uur om daar te komen! Maar ook met 120 uur wordt dat de eerste dagen dus even doorrijden. Nadat de felbegeerde stempels zijn gezet, begint de reis naar het zuiden!
Dag 2 | 24 februari
Van Siegburg naar Haag am Hausruck.
Duitsland  Oostenrijk (650 km)
De dag begint vroeg, want de rit is lang. Met enkele wandelstops en tankpauzes rijden we zeer soepel naar Oostenrijk. Nog nooit heb ik zo weinig vertraging in Duitsland gehad, dus parkeren we al om 16:00 voor een typisch Oostenrijks Gasthof waar ik twee uurtjes en een forse wandeling later geniet van een typisch Oostenrijkse Wiener schnitzel. Alex is bang voor de gitzwarte huiskat. Deze kattige dame verspert al blazend tot twee keer toe de trap naar mijn kamer, waarna de gastvrouw even moet ingrijpen en het beest tijdelijk opsluit. Ik geniet van de scène, en de ca. 10 meter lange Stammtisch lacht bulderend met ons mee. Ze roepen van alles in een voor mij onverstaanbaar lokaal Oostenrijks accent. Daarmee is de reis nu echt begonnen.

Haag am Hausruck.

Dag 3 | 25 februari
Door de Alpen naar 'watervaldorp' Rastoke.
Oostenrijk  Slovenië ↬ Kroatië (500 km)
Ook vandaag moeten er nog flink wat kilometers gemaakt worden. Na een mistig vertrek volgt een aaneenschakeling van tunnels, waarbij het na elke tunnel een verrassing is of je de witte toppen van de Alpen ziet, of niet. Het blijkt ongeveer fifty-fifty. Eenmaal in Slovenië blijkt er in het dal veel meer sneeuw te liggen dan op de route in Oostenrijk. We maken een korte stop waarbij Alex zijn favoriete witte-ballen-spel mag doen (zoveel mogelijk sneeuwballen vangen). Daarna rijden we Kroatië in, waarbij het witte landschap geleidelijk overgaat in groene velden en zacht voorjaarsweer. De eerste t-shirt-middag van 2026 is een feit.
Rond 15:00 bereiken we Rastoke, een sprookjesachtig dorp omgeven door watervallen. Na een vriendelijke ontvangst in het gasthuis voor vandaag, een stuk bergopwaarts, ga ik te voet terug naar beneden om het dorp Rastoke en de watervallen te bekijken. Het oogt wat toeristisch, maar ik ben de enige bezoeker. Heerlijk. Ik fotografeer wat, bezoek een lokale buurtsuper en geniet daarna van een simpel maaltje buiten bij zonsondergang, kijkend op de heuvels in de verte.
Dag 4 | 26 februari
Zonnig de EU uit.
Kroatië  Bosnië en Herzegovina (450 km)
IJskristallen vonkelen in de schaduw van de heuvel, maar aan de zonzijde is het voorjaar te voelen. De zon is krachtig en de jas blijft uit vandaag. Ik neem afscheid van Hristina, met wie ik gisteravond lange tijd heb zitten babbelen. Het huis van haar ouders, waar ik vannacht heb geslapen, is in 1989 gebouwd. In de Balkanoorlog is het kapotgeschoten, waarna het met veel liefde en aandacht opnieuw is opgebouwd. Het is een parel met een verhaal geworden.
De rit voert binnendoor langs de wereldberoemde meren van Plitvice. In 2022 was ik hier voor het laatst, maar vandaag besluit ik door te rijden omdat ik wat anders op het programma heb. Het landschap is een mix van knalblauw, wit en bruin. Knalblauwe lucht, de witte toppen van de Velebit-bergen, en talloze tinten bruin omdat de natuur hier nog in winterslaap lijkt. Met een voorjaarszon en een gevoelstemperatuur van boven de 20 graden, is het een bijzondere ervaring zo.

Het ruige Balkan-landschap in knalblauw, wit en talloze bruintinten.

De route gaat ook langs plekken die ik eerder heb bezocht in diverse jaargetijden. Kroatië blijft trekken en zal nooit vervelen. Zelfs de snelwegen zijn spectaculair mooi om doorheen te rijden. Vanuit de bergen daal ik geleidelijk af met zicht op de Adriatische Zee, maar een duik zal nog een paar dagen moeten wachten. Ik ben namelijk op weg naar Stolac in Bosnië en Herzegovina. De EU uit vandaag.
De grensovergang gaat buitengewoon soepel en er wordt alleen naar mijn paspoort gevraagd. Er vindt geen spullen-uitpakken-parade plaats en ook naar Alex wordt helemaal niet gevraagd. Voor wie nog nooit zo'n grensovergang heeft gedaan: die komt altijd als duo. Het eerste 'poortje' is het land uit, het tweede poortje is het volgende land in. Soms zit daar tot een kilometer of meer nomansland tussen. En afhankelijk van welke combinatie van landen je hebt, is het eerste óf het tweede poortje spannender...
Na binnenkomst in het land valt me meteen weer de borden in twee schriften op. Alles staat hier in zowel Cyrillisch als Latijns schrift. Fijn om mijn roestige kennis van het Cyrillisch weer wat af te stoffen.
Wat ook opvalt, is het wagenpark dat ineens gemiddeld 30 jaar terug in de tijd gaat. Het lijkt bijna een Volkswagen-openluchtmuseum. Ook de Balkanoorlog is nog steeds zichtbaar in het straatbeeld. Ruïnes wisselen af met opgeknapte monumentale Bosnische huizen en in veel huizen zijn de kogelgaten nooit opgevuld. Inmiddels is het 11 jaar geleden sinds mijn eerste bezoek aan dit land, maar het lijkt zo op het eerste oog weinig veranderd.
Een blonde vrouw met golden retriever trekt de aandacht in dit dorp. Zowel van de mensen, als van de zwerfhonden. Alex krijgt een grote zwarte hond als een magneet achter zich aan. Ik zeg geruststellend tegen mezelf 'blaffende honden bijten niet' en hoop dat de hond snel een andere afleiding vindt in dit rommelige straatbeeld. Een straat verder druipt hij af en vervolgen wij onze weg naar de middeleeuwse ruïne die uitkijkt over de rest van Stolac. Het is een pad met prachtige marmeren beelden die daar recent zijn geplaatst. Ik verwacht eenmaal boven gekomen een ticket office, maar de poort is open. Er is niemand, helemaal niemand, terwijl de zon langzaam achter de bergen verdwijnt. Nou ja, bijna niemand. Zo'n 50 CCTV's zorgen er wel voor dat je je hier gedraagt.

Een Bosnisch huis in Stolac.

Vol met indrukken en moe van bijna 2000 km rijden in 3,5 dag, keer ik vlak voor zonsondergang terug naar het huisje dat ik voor vanavond heb geboekt. Het is opnieuw een parel, alleen eentje waarvan ik het verhaal nog niet weet. Alles is tot in de puntjes verzorgd. En als Alex als voorbeeldig model 30 seconden (!) keurig stil blijft zitten terwijl ik onderstaande foto maak, is de reisdag compleet. Nu nog voorbereiden voor morgen, het volgende hoofdstuk van dit avontuur: Montenegro. 
Dag 5 | 27 februari
Zwarte en witte bergen.
Bosnië en Herzegovina  Montenegro (260 km)
Hier nabij de grens van onze tijdzone komt de zon een stuk eerder op dan bij ons in Nederland. Ik slaap te afgelegen om de roep van de minaretten uit Stolac te horen. Het is hier nagenoeg stil. Na het ontbijt en het checken van het oliepeil, ga ik weer op weg. Vanuit de Federatie van Bosnië en Herzegovina ga ik eerst de binnenlandse grens met Republika Srpska over. Beide delen van Bosnië en Herzegovina zijn heel verschillend met elk deels andere cultuur en religie. Republika Srpska lijkt in dat opzicht meer op Servië, terwijl de Federatie van Bosnië en Herzegovina vooral Bosniakken en deels Kroaten zijn. De eerste genoemde is overwegend orthodox, de tweede voornamelijk Islamitisch en voor een klein deel rooms-katholiek. Het zorgt voor een bijzondere maar wel vredelievende mix.
Vlak voor de grens is een adembenemend uitzichtpunt over Bilećko jezero dat niet onderdoet voor de Noorse fjorden. Dit deel van Europa is ruig, ongerept, en onbekend. Maar onbekend maakt bij mij al jaren niet onbemind, en ik ben blij om terug te zijn in deze ruwe diamant van Europa.

Bilećko jezero in Bosnië en Herzegovina.

De grensovergang verloopt bijzonder soepel. Aan de kant van Montenegro wordt vooral een kritische blik geworpen op het kentekenpasje van de Subaru. Men had meer papier verwacht dan enkel dit pasje. Er wordt wat overlegd… nog meer overlegd… pasje 3x draaien en weer aan de ander geven… de twee heren kijken me een paar keer indringend aan. Een paar lange minuten verstrijken. Er is geen auto voor of achter me in deze uithoek. Paspoort nog een keertje scannen. From Holland, ha? Ok, you can go. Stempeltje erop en nog een indringende blik, klaar. Zo gaat dat hier.
Dat het spannendste van de dag nog zou komen, had ik niet verwacht. Ik voel me vrij en relaxed, lekker een dag of 5 rondzwerven in dit prachtig mooie bergland is een uitstekend vooruitzicht. Vanavond slaap ik in Жабљак (Žabljak), maar daar kom ik het liefst via de P14 die door het Durmitor hoogplateau loopt. Optimistisch door de aanstormende lente en de geruststellende berichten op internet, denk ik dat dit allemaal prima gaat lukken en dat de weg open zal zijn. Dat betekent dat ik 40 km voor de splitsing tussen Жабљак en Плужине, de afslag naar Плужине (Pluzine) neem. Met een gemiddelde van zo’n 50 km per uur, moet je wel bedenken dat dit een gok is die me mogelijk 2-3 uur extra reistijd op kan leveren…
In Плужине ga ik tanken en doe ik boodschappen. Een behulpzame man in de supermarkt vertelt me alles over zowel de lokale wijnen, als over het gebied. Als ik vertel dat ik hier eerder ben geweest en dat dit gebied in mijn beide boeken voorkomt, spitst hij zijn oren. Huh? Hij vraagt hoe of wat, en ik geef hem een visitekaartje. Daarna ga ik een van mijn favoriete wegen in Europa opnieuw rijden.

Het paradijselijke uitzicht over Slano Jezero in Montenegro.

De P14 tussen Плужине en Жабљак gaat over een hoogplateau door het ruige Durmitor National Park. Het hoogste punt ligt op zo’n 1900 meter. Deze weg heeft mijn hart gestolen in 2015, maar toen was het september… Februari blijkt, ondanks de zachte winter, andere koek. Ik stijg en stijg tot zo’n 1500 meter, waarbij het berijdbare gedeelte van de weg steeds smaller wordt en de sneeuwwallen aan weerszijden steeds hoger. Keren is hier onmogelijk; een tegenligger zou echt een kilometers-lang probleem zijn. Maar de tegenliggers blijven uit. Alleen… de sneeuw neemt toe en toe, en op een zeker moment vindt zelfs mijn avontuurlijke ik het niet heel grappig meer. De weg wordt steeds moeilijker begaanbaar en ik moet nog zo’n 30 km en vele hoogtemeters. Keren kan ik niet meer, dat is onmogelijk op deze weg. Dus zet ik hem in z’n achteruit, en rij ik zo enkele kilometers terug naar het bergdorp Трса (Trsa), waar ik eindelijk kan keren. Ik stap even uit en laat Alex genieten van wat sneeuwballen gooien. Sneeuw genoeg hier! Ik ben moe. Maar om de plek te bereiken waar ik vanavond slaap, 30 km hemelsbreed hiervandaan, moet ik ruim 100 km rond de bergen omrijden. Iets wat in deze contreien niet heel snel gaat.
Na duizenden bochten en talloze indrukwekkende vergezichten, bereik ik net voor zonsondergang alsnog Жабљак. Als ik nabij het vakantiehuisje kom, zwaait een vrouw enthousiast mijn kant op: ‘Hier parkeren!’ Violetta en haar man Drago spreken geen woord Engels, maar met gebaren komen we een heel eind. Ze wil meteen met Alex kennismaken en laat me daarna het huisje zien. De rondleiding wordt verstoord door het intens rode licht op de bergen, zelfs Violetta wordt er enthousiast van: ‘Kijk nou, maak een mooie foto met die camera van je!’ En zo geschiedde het. Ik tik dit bericht bekaf van een dag die veel intensiever was dan verwacht. Morgen begint de dag met een wandeling in het winter-wonderland Durmitor, daarna kan het tempo als het goed is even naar beneden. Moe maar voldaan kruip ik zo onder de dekens in mijn Balkan-cabin.
Dag 6 | 28 februari
Een zwart-wit Durmitor National Park.
Montenegro (25 km)
Om vijf over zeven word ik wakker door de felle zon die in mijn cabin schijnt en mijn hoofdkussen verwarmt. Ik heb heerlijk geslapen en besluit dat ik hier nog even wil blijven. De bergen rondom me zijn geweldig om te zien. En ook heel onbereikbaar in dit seizoen; ze zijn nog stoerder en ruiger dan in mijn herinnering. Ik vraag aan Violetta of ik nog een nachtje mag blijven. Ze springt bijna in de lucht van blijdschap. Dobre dobre! (Goed goed!). Of ik vanavond zin heb om bij haar en haar man wat te komen drinken. En of ik dan wijn lust. We spreken om acht uur af. ‘Hot wine?’ Nou, liever niet denk ik als wijnliefhebber. Ik zeg beleefd dat ik liever koude rode wijn drink. Dobre dobre! Nog een handgebaar dat ze me om acht uur verwachten, en ik ben klaar voor vertrek naar Durmitor National Park.
Het is maar een paar kilometer naar het park. Eerst door een prachtige witte open vlakte en daarna door het winterse dorp Жабљак (Žabljak). We zitten hier op bijna 1500 meter hoogte, en dat kun je goed zien aan de enorme sneeuwwallen die links en rechts van de straten liggen. Ik parkeer bij de ingang van het park, waar op dit moment nog bijna niemand is. Een man komt naar me toe om de parkeerkosten te innen. Hij ziet mijn kenteken en begint enthousiast tegen me te kletsen in een mix van Engels en Montenegrijns over hoe leuk hij Nederland vindt. Ik wijs naar de witte toppen voor ons: die hebben wij niet hoor. Wees trots op jullie prachtige land. Da da! (Ja ja!)

De bergen en bossen rond Crno jerezo.

Gezien het enorme sneeuwdek laat ik elke wandelambitie naar hoger gelegen gebieden varen, en is mijn plan een rustige wandeling rond Црно језеро (Crno jezero), wat ‘zwart meer’ betekent. De twee aaneengesloten meren lijken donker door de reflectie van de donkere naaldbossen in het heldere, diepe water. Toen ik hier in september 2015 voor het eerst aan de rand van het meer stond, was ik erg onder de indruk van het landschap. Dus wilde ik graag nog een keer terug in een ander jaargetijde. Vandaag is het geen zwart meer, maar een hagelwit meer!

Het 'zwarte meer' is vandaag hagelwit!

Terwijl ik de wandeling rond het meer maak (die af en toe toch best interessante passages heeft - ik ben blij dat ik de spikes onder mijn schoenen heb gebonden), zie ik hoe donker deze bossen zijn. Het contrast met de witte sneeuw kan bijna niet groter. Aan deze bossen dankt Montenegro zijn naam: de zwarte den (Pinus nigra) groeit hier weelderig. ‘Monte negro’ is de naam die de Venetiaanse zeelieden in de middeleeuwen aan dit landschap gaven. De Slavische bevolking gebruikte toen al onafhankelijk daarvan de naam Crna Gora. Allebei betekent het letterlijk ‘zwarte berg’. De eindeloze beboste bergen hebben dit land terecht zijn naam gegeven.

Montenegro betekent 'zwarte berg' en dankt zijn naam aan de donkere naaldbossen van zwarte dennen.

Op de terugweg wandel ik nog even door het dorp. Het is gezellig druk op straat. In de barretjes wordt buiten al druk geborreld in wintersportsfeer. De kerstverlichting wordt tussen het rijdende verkeer door uit de straten verwijderd (zo pragmatisch zou dat in Nederland niet gaan, heerlijk!) en hier en daar struinen dorpshonden door de sneeuwhopen, of ze liggen ergens te slapen. Er valt altijd van alles te zien in de dorpen in dit deel van Europa, en daar geniet ik van.

Bergdorp Žabljak op de grens van winter en voorjaar.

Na een goed glas lokale Montenegrijnse wijn van Violetta en Drago, sluit ik de dag af met een foto van de bergen van Durmitor onder de sterrenhemel. Het is windstil, muisstil, fluisterstil. Alleen de klik van de sluiter van mijn camera verstoort de nachtelijke rust. Tijd om af te sluiten, morgen volgt weer een voller programma.

Het Durmitor-massief 'by night'.

Dag 7 | 1 maart
Dilemma's op een dodemansweg.
Montenegro (190 km)
Precies twee minuten eerder dan gisteren word ik gewekt door de zon die zonder kloppen de cabin binnen dendert en het meteorologische voorjaar aankondigt. Heerlijk. Ik start rustig met de dag met een warme kop oploskoffie in mijn hand. Als koffieliefhebber kom ik er eerlijk voor uit: op reis smaakt dat prima en gaan je standaarden qua koffie in rap tempo omlaag.
Violetta komt uitgebreid afscheid nemen. Ze geeft haar telefoonnummer, voor als ik ooit in de toekomst weer eens in de buurt ben. Alex krijgt van haar een dikke knuffel en een high-five. We gaan verder op weg naar het zuiden!
De route toont het hart van Montenegro. Bergpas na bergpas, deels door sneeuwlandschap, waar sneeuwscooters in de berm staan geparkeerd en kinderen hun ski’s onderbinden voor een zondag vol sneeuwpret. Ondanks de talloze bergen die het land rijk is, voelt het landschap op geen enkel moment beklemmend. In tegendeel, Montenegro is zo weids dat je overal van uitzichten kunt genieten die je in de Alpen alleen bovenop de toppen vindt. Het is een bijzonder berglandschap, dat niet voor niets mijn hart gestolen heeft.

Geweldige vergezichten en ruige bergen maken Montenegro al jaren tot een van mijn favoriete landen in Europa.

De eerste stop van vandaag is Манастир Острог (Manastir Ostrog), een 17e-eeuws klooster dat op dramatische manier deels in de rotsen is gebouwd. Niet alleen het klooster zelf is dramatisch, ook de weg vanuit het noorden is nogal spectaculair. Eng zelfs. De steile en smalle bergweg vol haarspeldbochten heeft nauwelijks vangrails, alleen hier en daar wat betonblokken of rotsblokken om je van de hemel of hel te behoeden. Maar er zijn ook genoeg passages waar één band in de leegte dodelijk is. Niet heel leuk als je ook af en toe een touringcar moet passeren. Gelukkig zie ik ze van veraf aankomen en wacht ik dan geduldig op een passeerplaats. Deze weg voelt letterlijk als een klimroute. In de flow van sturen en schakelen ben ik blij als er weer een breder stukje weg komt. Als een comfortabele greep waar je tijdens een route even kunt uitrusten. Hoe hoger ik kom, hoe meer ik het dilemma voel: wil ik straks deze weg nog wel terugrijden? Opgaand verkeer heeft voorrang…
Al met al doe ik veel langer over deze weg dan verwacht. Maar het voorjaarsweer is heerlijk; de ramen van de auto staan open. Uiteindelijk kom ik bij een parkeerplaats. Moet ik hier parkeren? Ik kijk op de kaart, en het klooster lijkt op loopafstand. Dan steekt ineens een enorme Duitse zwerfherder zijn neus in mijn auto. Ik schrik me wezenloos. Geen goed idee om hier te parkeren. Dilemma opgelost. Volgende parkeerplaats. Daar zie ik alleen een bedelaar in rolstoel en wat andere auto’s geparkeerd. Ik laad Alex uit en loop richting de weg naar het klooster (nog zo’n 200-300 hoogtemeters vanaf waar ik ben). Een oud vrouwtje wijst naar Alex: ‘Die mag het klooster niet in’.  Dat begrijp ik en had ik al op gerekend, maar ik wil het wel graag van buiten bekijken. Ik tik mijn antwoord in Google Translate en laat het aan haar zien. Ze gebaart dat ik even moet wachten en verdwijnt richting haar auto. Daar pakt ze een enorme leesbril. Ik kan een lachje niet onderdrukken. Ze leest mijn vertaling van het Engels naar Servisch in Cyrillisch schrift en kijkt naar me met een glimlach: ‘Ok, dan is het goed’.
Het ‘observation deck’ om het klooster mooi te kunnen bekijken mis ik op mijn wandeltocht, daar kom je alleen met de auto langs. Dus kom ik vele trappen verder bovenaan bij het klooster. Vanaf hier zie je er eigenlijk niks van en met Alex mag ik niet verder. Ik besluit dat dit gewoon een sportieve ochtendwandeling was. Op de terugweg pak ik het laatste stuk de rijbaan van de auto’s, zodat ik bij het uitzichtpunt kan komen. Een Servisch jong stelletje grijpt hun kans dat ze een voetganger tegenkomen en vraagt me of ik een foto van hen wil maken. Tuurlijk. Moet die luxe Mercedes er ook op? Ok. Doen we dat ook.

Manastir Ostrog, een 17e-eeuws belangrijk multi-religieus bedevaartsoord.

Overigens is het klooster van Ostrog een belangrijk bedevaartsoord in de Balkan voor, opmerkelijk genoeg, zowel orthodox christenen als rooms-katholieken en moslims. Op een zondag in maart is het hier al behoorlijk druk. Ik moet er niet aan denken hoe de weg hier is in het hoogseizoen. Eerder hel dan hemel vrees ik. Maar toegegeven: het klooster ziet er zelfs van een afstand enorm indrukwekkend uit en ik ben blij het allemaal te mogen aanschouwen.Terug bij de auto is het dilemma: vervolg ik mijn plan richting de Baai van Kotor en rijd ik daarna de Serpentine Road richting Nationaal Park Lovcén, of ga ik de kortere route via Podgorica naar Lovcén? Dat tweede klinkt aanlokkelijker, want dan hoef ik die enge dodemansweg ook niet meer terug dezelfde kant op te rijden. Wat helpt zijn de bemoedigende woorden dat de weg richting Podgorica een ‘new road’ is. Dus ga ik voor de onbekende weg. Gelukkig wordt mijn keuze al snel beloond met schitterende uitzichten die ik niet had willen missen.

Dilemma. Welke kant gaan we op? Ik kies in dit geval voor de 'New Road'.

Voor vanavond heb ik een hotel in Nationaal Park Lovcén geboekt. Een kilometer of 10 daarvoor kom ik voorbij een bocht ineens een man tegen die me gebaart te stoppen. Snel analyseren wat we hier hebben. Een man met een pet in de vorm van de tegenwoordig impopulaire rode petjes aan de overkant van de oceaan. Alleen staat hier ‘Just smile’ op. Hij wil 3 euro van me. ‘Cash or card?’ Omdat blijkbaar met kaart betalen een optie is en ik hem ergens het woord ‘Lovcén’ hoor uitspreken, ga ik maar van het goede van de mens uit en pak ik Apple Pay erbij. 3 euro lichter en een mooi toegangskaartje voor het park zwaarder, mag ik verder rijden.
Na een korte check-in in het hotel voor vanavond, ga ik met Alex richting het uitzichtpunt Jezerski Vrh, de op één na hoogste top van het Lovćen-massief. Boven op de top staat het imposante Njegoš Mausoleum, gewijd aan Petar II Petrović-Njegoš (1813–1851). Hij was zowel vorst-bisschop als dichter en filosoof en geldt als een van de belangrijkste figuren in de Montenegrijnse en Servische geschiedenis. Ik parkeer zo’n kilometer voor het mausoleum en bind mijn spikes weer onder mijn schoenen om makkelijker over de ijsweg te lopen. In de verte klinkt muziek uit het dal. Een hond blaft. Ergens halverwege stop ik om wat foto’s te maken. Ik kom twee wandelaars met een hondje tegen die op de terugweg naar beneden zijn. Ik vraag of die blaffende hond aangelijnd is. ‘No, it’s a shepherd dog. But it is only a puppy.’  Ok, geruststellend. Een beetje dan.

De prachtige uitzichten op Lovcén National Park.

Vlak voor het mausoleum is een uitkijkplatform en een klein souvenirwinkeltje. Het geblaf wordt luider. Door de sneeuwresten struin ik naar de rand van het platform om wat foto’s te maken. Dan zie ik ineens die ‘puppy’. Het beest is nu al twee keer zo groot als Alex en rent luid blaffend op me af. Oh oh, problemen! Split-second besluit ik naar het souvenirwinkeltje te vluchten. Ik ren naar binnen waar een vrouw me vreemd aankijkt: ‘We’re closing.’ ‘But I’m taking shelter here for the big dog!’ De vrouw glimlacht. ‘You’re the second one today, please wait here.’ Samen met haar compagnon roepen ze van alles naar de hond om hem op afstand te houden. Het is de hond van de bewakers van het mausoleum. Die neemt z’n beroep nu al behoorlijk serieus. Ik geef Alex een zit-en-blijf bij de souvenirwinkel, maak snel nog wat foto’s, en ga dan op het sein van mijn tijdelijke beschermers snelwandelend naar beneden, zoveel mogelijk uit het zicht van de hond.
De rest van de middag en avond verloopt gelukkig heerlijk ontspannen. Even in de zon zitten, daarna een warme maaltijd in het hotel, en een hele avond gezellig kletsen met Luka, die samen met drie vrienden hier ook de avond doorbrengt. We hebben genoeg overeenkomsten: hij heeft ook veel door Europa gereisd en is ook freelancer in IT. Ik leer veel van hem over zowel Montenegro en de Balkan in het algemeen, als ook over typische gebruiken zoals het aantal miniflesjes wijn dat maar blijft toenemen op tafel als een teken van gastvrijheid. Gelukkig hoef ik ze niet allemaal op te drinken en mag ik ze meenemen. Alex heeft intussen de restaurant-avond van zijn leven: hij mag vrij spelen met twee Berner sennenhonden en een jonge zwerfhond die twee maanden geleden door het hotel is geadopteerd. Moe maar voldaan sluit ik de hoofdingang om 23:30 uur af en val ik als enige gast in een heerlijk comfortabel bed in slaap.
Dag 8 | 2 maart
Koffie en katten in Kotor.
Montenegro (75 km)
Oploskoffie verdwijnt weer in het bakje ‘alleen voor noodgevallen’ als ik de heerlijke espresso bij het ontbijt proef. Net als in Italië! Het ontbijt daarentegen is typisch Balkan-stijl. Ei en vlees, en liefst ook vrij vet en zout. Fruit? Nergens te bekennen, althans niet hier in de bergen. Maar wetende dat ik een zak vol sinaasappels in de auto heb, maakt het me allemaal niet uit. Zolang ik nog maar een tweede espresso mag.
Het doel van vandaag is inhalen wat gisteren niet is gelukt: een stadje aan de Baai van Kotor, en de Serpentine Road. Ik heb alle tijd, want mijn volgende accommodatie is hemelsbreed hier niet zo ver vandaan. Het is bewolkt, dus het plan is om ook vanmiddag en vanavond wat te werken. Maar evengoed genoeg tijd voor een kopje koffie in Kotor. Op de heenweg passeer ik enkele parkeerplaatsen zonder bord of markering. Bij eentje denk ik: dit zou wel eens een mooi plekje kunnen zijn. Het staat niet op de kaart, niet aangegeven langs de weg, maar het uitzicht is zó spectaculair mooi dat geen enkel woord of foto er recht aan doet. Schandalig, zulke landschappen!

Zicht op de Baai van Kotor.

De weg naar beneden naar de Baai van Kotor is een beruchte route met maar liefst 23 haarspeldbochten. In de reisgids staat Serpentine Road (P1) heel duidelijk beschreven met de waarschuwing: alleen voor ervaren chauffeurs. De smalle bergweg heeft talloze onoverzichtelijke bochten, waar een local je zomaar zonder aankondiging tegemoet kan komen. Hoewel de weg technisch gezien uitdagender is dan die van gisteren, voelt hij toch een stuk minder eng aan. Of ik wen er snel aan, dat kan ook. Ik geniet in elk geval van het sturen en het steeds dichterbij komende zicht op Kotor.
In Kotor parkeer ik bij de lokale groenteboer en supermarkt. Van daaruit loop ik naar de Old Town en de jachthaven. De geur van verse en rotte vis vult mijn neus: voor het eerst deze reis ben ik weer aan zee. Ik verken de smalle straatjes en waan mij in Italië. Niet zo gek, want Kotor is bijna 400 jaar onder Venetiaans bestuur geweest. Naast het Italiaanse karakter valt iets anders op: het grote aantal katten. In de tijd dat Kotor een drukke Venetiaanse handelshaven was, brachten schepen niet alleen zijde en specerijen mee, maar ook ratten. Katten werden daarom gekoesterd als stille wachters van pakhuizen en kades, en hielpen ziektes en voedselverlies te beperken door op ratten te jagen. Zo groeiden ze uit tot onmisbare bondgenoten van de stad.
Na Kotor rijd ik via de Serpentine Road weer rustig omhoog, met nog één laatste uitzicht over de baai. Totdat ik in de wolken verdwijn, wat de uitdagende route nog spookier maakt. Eenmaal aangekomen in mijn cabin voor vandaag en morgen, concludeer ik dat er nog steeds veel mensen zijn die niet snappen dat warme lucht opstijgt. In mijn prima tiny house van twee verdiepingen hangt de airco helemaal bovenin, en bereikt de warmte de benedenverdieping niet. Het is koud, dus ik steek de kachel aan. Maar als voor de zoveelste keer de kamer met rook vult omdat de verbranding van dit ding niet ideaal is, denk ik voor het eerst deze reis: hè, thuis is ook zo gek nog niet. En ook dat maakt reizen mooi. 
Dag 9 | 3 maart
Grootse landschappen, grootse porties.
Montenegro (75 km)
Gedurende de nacht is de kamer steeds kouder geworden. De open haard is uit, en de temperatuur buiten verklapt dat het eigenlijk nog niet echt voorjaar is, ondanks het zachte weer overdag. Ik start rustig de dag op met een warme douche, en maak een kopje koffie buiten in het zonnetje bij mijn cabin, voor bij het typisch Montenegrijnse ontbijt. Vandaag zijn de ambities klein. Ik wil maar vier dingen, in willekeurige volgorde: 1) mooie foto’s maken van Pavlova Strana; 2) tanken; 3) een wijngaard bezoeken; 4) ergens een simpele warme maaltijd scoren. Vrij beperkt vergeleken met een gemiddelde ‘Sabine-reisdag’ ;-).
Ik doe eerst een verkenningstocht langs Pavlova Strana, het beroemde uitzichtpunt waar de rivier de Rijeka Crnojevića een perfecte hoefijzerbocht maakt. Waar wil ik straks in het gouden en blauwe uurtje foto’s maken? Iedereen denkt altijd dat ik mooie foto’s zo uit mijn mouw schud, maar er is toch echt af en toe ook voorbereiding nodig. En het weer moet een beetje meezitten. Ik vind de plekjes waar ik straks wil zijn.

Genieten van de vele uitzichten op de uitlopers van het Skadar meer.

Daarna tank ik in een bedrijventerrein aan de rand van Podgorica. Het contrast binnen 10 kilometer is zelden zo groot. Van afgelegen rust en natuurschoon naar de hoofdstad van Montenegro in 14 minuten. Het tankstation heeft echter om onduidelijke redenen pauze. De pompen zijn met brandblussers gebarricadeerd. Ik vraag binnen of en wanneer ik kan tanken. Over een half uur weer, zegt de dame achter de broodjesbalie. Ook hier draaien tankstations tegenwoordig meer om de duurbetaalde broodjes dan om benzine… Ik besluit door te rijden naar de volgende, 5 minuten verder richting Podgorica. Hier slaag ik wel, en een paar minuten verder rij ik weer verder op weg naar… de wijngaard.
Wijnhuis Marković ligt afgelegen, maar schitterend mooi in een dal tussen de bergen. De weg erheen is smal, bochtig, en uitdagend. Maar ook heel mooi! Zonder vangrails, maar inmiddels ben ik daar ook aan gewend. Eenmaal aangekomen ontmoet ik de gastheer, die me wat wijnen van de estate gaat laten proeven. Hij heeft 7 wijnen te proeven, maar ik kies er twee, omdat ik nog moet rijden. Op basis van mijn beschrijving van de smaken die ik mooi vind, kiest hij er twee uit. De rode is heerlijk! Maar ja, die kost dan ook 25 euro per fles. Ter vergelijking, een overnachting in een premium cabin kost in dit seizoen 50-65 euro per nacht. Ik vraag hoeveel wijn je eigenlijk Albanië mee in mag nemen. Hij lacht hardop. ‘Well, even if you have 200 bottles, they don’t care’. Dus ik gok het erop. Twee van die fantastisch mooie rode Vranac-wijnen gaan mee op reis. Vranac is de Montenegrijnse rode topdruif. Hoewel je ze in Nederland ook wel spaarzaam kunt kopen, heb ik ze nergens zo lekker geproefd als de afgelopen dagen. Van de home-made Vranac van Violetta en Drago (heel eerlijk: die was het lekkerst), tot een supermarkt-variant van 10 euro en deze vandaag in dit wijnhuis: Vranac kan echt ontzettend mooi zijn en concurreren met een Franse Bordeaux of Côte du Rhône qua stevigheid. Wow!
Goed, genoeg over wijn gezwijmeld. We vervolgen onze weg naar een berggehucht van waaruit een wandelpad naar hoger gelegen gebied zou moeten leiden voor een mooi uitzichtpunt. Alex vindt de weg, ik klauter over de rotsen en tussen de jeneverbessen en andere krassen veroorzakende struiken achter hem aan tot we op een mooi plateau zijn aangekomen. Het officiële uitzichtpunt halen we niet, omdat de route erheen te lastig is qua begroeiing, en daardoor teveel tijd kost. Maar dit uitzicht is meer dan mooi genoeg.
Ik keer terug naar één van de mooiste uitzichtpunten van dit gebied, waar mijn auto staat geparkeerd. Onderweg valt mij zoals elke dag de vele reclames voor ‘Auto Šlep' op. Is je auto gestrand? Geen zorgen. Er is altijd een bergingsdienst in de buurt. Kijk simpelweg op een rotsblok in een bocht, op een vangrail, aan de achterkant van een bord… De telefoonnummers voor een dienst om je auto te bergen zijn werkelijk overal zichtbaar, in het hele land.
Eenmaal terug bij mijn auto bestel ik bij het naastgelegen restaurant een lokale home-made rode wijn (toegegeven, weer verrassend goed) en een pizza. Geschokt kijk ik 15 minuten later toe hoe ze een enorme houten ronde plaat voor mijn neus zetten, met een pizza met diameter waar de velgen van mijn Subaru klein bij lijken. Dit kan ik nooit op. Niet eens de helft. Amper een derde. ‘We people from Montenegro eat big portions.’  Ah ja. Ok. Slik.
Nadat ik met moeite ca. 32% van de pizza op heb en de nodige plaatjes heb geschoten van het schitterende panoramische uitzicht, besluit ik dat het welletjes is geweest. Tijd om terug te gaan naar mijn cabin. Daar wacht nog de ‘schone’ taak om een vuurtje te maken om het enigszins behaaglijk te hebben. Weer even back to basics!

Pavlova Strana, een briljante blik op een hoefijzerbocht van een van de uitlopers van het Skadar meer.

Dag 10 | 4 maart
Bingo en douanezaken.
Montenegro  Albanië (150 km)
Vandaag belooft weer een interessante dag te worden. Vanuit het afgelegen binnenland reis ik richting de kust, waar ik de Montenegrijnse historische stad Ulcinj wil bezoeken, waarna ik de grens naar Albanië oversteek.
Het eerste deel van de route is hobbelig en bochtig. Nog een keer word ik getrakteerd op de prachtige berglandschappen van Montenegro. Jeetje, wat is dit land mooi en uniek in Europa. Na een klein uur hobbelen kom ik weer in de bewoonde wereld en kies daar de route richting Bar. Er volgt een lange tunnel. De meeste tunnels in Montenegro zijn onverlicht (ja, je leest het goed). Maar bij deze ruim 4-kilometer lange tunnel hebben ze toch maar wat lampen in het plafond geschroefd. Fijn. Aan het eind van de tunnel kom ik in een compleet andere wereld. Hier aan de kust blinken de lampen van kitschy casino’s, wordt er druk van alles verhandeld op straat, en wordt er vooral ook heel veel gebouwd. Bar en de andere kustplaatsen in deze regio, zijn volop in ontwikkeling. Het is ook merkbaar drukker en chaotischer op straat. Echt ‘Balkan-stijl’, zou ik willen zeggen, hetgeen de reisvreugde vergroot.

Uitzichten langs de weg naar Virpazar.

In het nog chaotischere Ulcinj parkeer ik ergens in de buurt van de Stari Grad (oude stad). Nu nog parkeergeld betalen. Ik reed achter een controleauto van de parkeerwachter, dus ik wil maar braaf betalen dit keer (voor het eerst deze reis). Ik loop naar het bord met info. Tja. Ergens heen sms’en is optie A. Optie B is mij helemaal onduidelijk. Ik stap een telecomwinkeltje in om hulp. Ze vraagt mijn telefoon en appt naar een bepaald nummer. Moet elk uur. Hmm. Werkt niet. Ok, dan moet je naar die tabakswinkel. Of naar die andere tabakswinkel. Of daarheen. Kijk, daar. Ik loop naar een van de genoemde kioskjes en vraag om een parkeerticket voor 2 uur. Het dametje achter de muur van sigaretten en loten vraagt in welke zone ik sta. Zone 1, denk ik. Ze pakt er vervolgens twee bingovellen bij en gaat driftig cirkeltjes plaatsen. 1,40 euro lichter en ik heb twee mooie papieren souvenirtjes die de komende twee uur achter mijn voorruit pronken.
De Stari Grad is zoals verwacht, op één aspect na. Om klokslag 12 uur wordt de drukte in het straatbeeld kortstondig tot stilstand gebracht (nou ja, denkbeeldig dan) door de roep van alle minaretten. Ik waan mij al in Albanië, maar ben nog in Montenegro. Ulcinj heeft een grote Albanese gemeenschap, wat een en ander verklaart. Ik ben nu nog ongeveer een half uur van de grens verwijderd, en wil graag nog wat water en brood inkopen. Dus parkeer ik bij de Voli Hypermarket aan de rand van de stad. Als ik wil uitstappen, schrik ik. Een jongen van een jaar of 8 kijkt me indringend aan met de hand opgehouden. Ik zeg ’no!’ en negeer hem verder. Deuren snel op slot en doorgaan met de boodschappen. Als ik klaar ben en naar buiten wil lopen, zie ik hoe moeders haar kinderen opdracht geeft om mij te belagen. Daar is weer een kandidaat, denkt ze. Ik negeer ze compleet, maar merk vrij snel dat dat niet werkt. De jongen zit als een strontvlieg achter me aan. Ik draai me om en roep hard ‘GO!!!’, en de jongen druipt af. Deze ‘truc’ had ik een paar minuten daarvoor iemand anders met succes zien doen, en het werkt inderdaad.
Dit laatste stuk Montenegro kent interessante plaatsnamen, zoals Dobra Voda (‘goed water’) en Vladimir. Ik vind het jammer dit fantastische land te moeten verlaten, maar Albanië wacht. Dus nader ik begin van de middag de grens. De grenspost heeft een nogal bijzondere kleurstelling. Hij is paars. Echt knalpaars. Kijkend op de kaart lijkt dit een 2-in-1 grenspost te zijn, dus geen aparte ‘poortjes’ met nomansland ertussen, zoals ik eerder omschreef. Er staat een kleine rij van zo’n tien auto’s voor me. Ik dood de tijd met op de kaart van Albanië kijken, terwijl ik de grens-zenuwen die toch altijd aanwezig zijn, zoveel mogelijk probeer te onderdrukken. Een sigaret steekt uit het paarse hokje. As valt. Wat voor man of vrouw zou daar zitten? En vooral: hoe goed heeft hij of zij vannacht geslapen? Dat soort zaken is allesbepalend voor hoe soepel de grensovergang verloopt.

De grenspostparade gaat weer beginnen. Dit keer is die paars!

Het blijkt een man te zijn. Ik geef mijn paspoort. 2,8 seconde stilte. ‘Dokumenti od auta!’. Ok, hier is m’n kentekenpasje. Nog meer nodig? Hij wijst even later naar het volgende poortje. Mijn paspoort en kentekenbewijs worden binnendoor doorgegeven aan de Albanese collega. Zonder stempels en zonder vragen over Alex rij ik 30 seconden later het land binnen. Waar is de grenspostcharme van weleer?
De eerste kilometers van Albanië verlopen volledig volgens verwachting. Politieposten die op willekeurige rotondes semi-willekeurige mensen controleren. Een man die 10 meter verder met CD’s staat te wapperen. Wat zou dáár nou opstaan, vraag ik me af. Het aantal scootertjes en brommertjes is sinds Ulcinj van 0 naar 100 gegaan, en langs de weg wordt van schoenveter tot appelzakken verkocht. Meestal vooraf onduidelijk waar je voor stopt, trouwens.
De entree in het hotel is buitengewoon gastvrij. Alex wordt uitgebreid aangehaald, en ik krijg een mooie kamer voor 45 euro per nacht. Na de check-in gaan Alex en ik even wandelen in de nabijgelegen lagune. We eten in het restaurant van het hotel, dat heel hoog staat aangeschreven. Alex mag gewoon mee naar binnen. Voor omgerekend 12,50 euro krijg ik prima te eten met mooie lokale wijn erbij. De appetizer is een bruschetta met tomaat en ham. Maar Albanië is toch islamitisch, hoe werkt dat dan?
Op papier heeft het land een moslimmeerderheid, maar in het dagelijks leven voelt het verrassend ontspannen. Varkensvlees staat gewoon op het menu, wijn wordt overal geschonken en niemand lijkt zich druk te maken om Alex die rustig naast de tafel ligt. Religie lijkt hier minder een set regels en meer een culturele achtergrond. Dat heeft veel te maken met de geschiedenis. Onder dictator Enver Hoxha werd Albanië in 1967 uitgeroepen tot de eerste officieel atheïstische staat ter wereld en religie werd tientallen jaren verboden. Toen religie na het communisme terugkeerde, kwam die vooral terug als traditie en identiteit, niet als strikte leefregel. Daardoor staan moskeeën en kerken tegenwoordig rustig naast elkaar en voelt het dagelijks leven opvallend vrij. Voor ons betekent dit een gastvrij welkom in dit interessante land.
Dag 11 | 5 maart
Binnendoor naar Mount Tomorr.
Albanië (210 km)
Vandaag doorkruis ik de binnenlanden van Albanië richting het zuidoosten. Bestemming: Mount Tomorr. Ik ben nieuwsgierig naar dit onbekende berggebied, dat een nationaal park (Parku Kombëtar) is. En alleen al vanwege de mystieke naam wil ik het ontdekken. Kort na vertrek uit Lezhë rijd ik door Tirana. De hoofdstad van Albanië heeft een chaotische ringweg waar de Périphérique een makkie bij is. Mercedessen uit alle jaargangen sinds de jaren 80 razen links en rechts langs je heen. Zeer defensief rijden en vooral goed opletten dus. Ik ben opgelucht als ik Tirana even later achter me laat.
De route is er een vol indrukken. Van karretjes met ezels tot 1001 dingen die in de dorpjes gebeuren. Ook zie je hier net als in Turkije kartonnen politieauto’s in de berm staan. Ik kan een lach niet onderdrukken als ik in de truc trap en rem zodra ik de ‘neppert’ opmerk. Even later is er de zoveelste échte politiepost. De universele gestalte van een man-met-pet-en-een-rond-bordje, maant mij te stoppen. Als ik bijna stilsta bedenkt hij zich. Laat maar, rij toch maar door. Gelukkig maar.

Begonnen aan de 'beklimming' van Mount Tomorr.

Het verschil tussen arm en rijk is hier wel extreem groot. Zo groot, dat het ook wel een beetje ongemakkelijk voelt. In het bergdorp Kapinovë waar ik vannacht slaap, staan net als in de rest van het land de kersenbomen in bloei. De heerlijke geur van de bloesems is een schril contrast met de hardheid van het bestaan hier. Mijn wens was om ooit nog eens in de Albanese bergen te slapen, maar ik zal niet ontkennen dat ik dit wel heel erg avontuurlijk vind. Het cultuurverschil is zo groot, dat vrijwel geen communicatie mogelijk is, zelfs hun gebaren begrijp ik niet, behalve het duimpje omhoog. De honden hier zijn niet ongevaarlijk, en de kuddes geiten trouwens ook niet. Alex en ik schuilen achter een pick-up om niet ondergelopen te worden door de kudde. Even daarvoor was ik een andere herder tegengekomen. Die begreep mijn gebaar of ik een foto van hem mocht maken, en dat vond hij goed. Dus poseerde hij even tot ik klaar was. Duimpje omhoog en een glimlach.

Sfeerimpressie van Kapinovë, een bergdorp hoog op de flank van Mount Tomorr.

De kamer is steenkoud. Er is een open haard, maar ik zie niet hoe ik met de eigenaresse tot een niveau kan communiceren om aan hout te komen. De airco werkt maar half, dus typ ik dit met mijn winterjas aan en koude vingers. Dit wordt een lange, koude nacht. Gelukkig komt de zon hier al om 06:05 op en zal het morgen stralend zonnig zijn. Benieuwd of de besneeuwde top van Mount Tomorr er dan wat vriendelijker uitziet.

Kapinovë, Mount Tomorr.

Dag 12 | 6 maart
Rode stippen in de sneeuw.
Albanië (40 km)
Boven de schouw hangt een tweekoppige adelaar. Het is het nationale symbool van Albanië, met een geschiedenis die teruggaat tot het Byzantijnse Rijk. Je ziet ze overal in Albanië. Het tweekoppige monster zou macht hebben over Oost en West. Dit specifieke exemplaar van zwart staal lijkt mij vooral geniepig aan te kijken: ‘Dat was koud hier vannacht hè, jij verwende westerling.’ Het was een rommelige nacht, waarin ik zoveel mogelijk opgerold heb gelegen om het laatste beetje warmte bij me te houden. Het is soms afzien, die mooie bergen, maar vaak wel waard. Ik besluit alleen mijn tanden te poetsen, Alex eten te geven, het douchen een keertje over te slaan, en ervoor zorgen dat ik zo snel mogelijk met mijn verkleumde botten op de verwarmde stoel van m’n Subaru zit. De rest komt wel.
Een kwartiertje later komen we op een vlakte die zich leent voor een ontspannen outdoor ontbijt met een warm kopje koffie. Alex geniet van het spelen met de bal. Hier in de middle of nowhere stopt een pick-up met een man of vijf, de meeste achterin staand in de bak. Eentje stapt eruit. Hij snapt dat Alex bij mij hoort en ze begroeten elkaar vriendelijk, waarna hij het pad over de vlakte opgaat. Een minuut of tien later hoor ik een pikhouweel. Dit is een mijnwerker in z’n meest primitieve vorm.

Ontbijt op 1400-meter hoogte, Mount Tomorr, Albanië.

Even later begint de klim naar de top van Mount Tomorr. Ik verwacht hem niet te halen. Het is zo’n 800 hoogtemeters en flink wat kilometers door forse sneeuw, wat de boel aardig vertraagt. Dus het doel is het punt bereiken waarop je al een bijna 360-graden view van Albanië hebt. Spikes ondergebonden, een rantsoen van water, roggebrood, noten, chocola en proteïnerepen mee, en gaan. Met stevig doorstappen zijn we al snel halverwege en lijkt de top ineens niet onbereikbaar meer. Ik geef mezelf het terugkeerpunt in tijd (op dit tijdstip moet ik aan de terugreis beginnen), laad op met een proteïnereep en powerbank, en weer lekker doorstappen. Op 2000 meter hoogte, zo’n 300 hoogtemeters van de top, zie ik ineens rode stippen in de sneeuw. Een onfortuinlijke beklimmer, denk ik. Maar dan valt me op dat het wel heel toevallig in de kuiltjes van een hondenafdruk zit. Een zwerfhond? Vreemd. En dan… Alex!

De verre uitzichten vanaf Mount Tomorr over allerlei besneeuwde bergketens in Albanië.

Ik roep Alex naar me toe om zijn linkervoorpoot te inspecteren. Die is bebloed, maar vooral ook heel nat. Ik zie niet direct iets bijzonders, maar ik zie ook niet hoe ik dit op kan lossen met natte poten. Ik heb wel verband in mijn rugtas, maar dat is zinloos voor een zeiknatte hondenpoot. Het bloeden stopt niet, dus ik neem het besluit terug te keren. Elke vierde pootafdruk is rood, en motiveert me om sneller richting auto te gaan. Maar dat is wel nog 500 meter dalen en zo’n 5 kilometer dalen… Alex lijkt er geen last van te hebben, en vindt het zelfs nodig om met zijn gewonde poot te gaan graven. Tijd lijkt hier meer een factor om het bloeden op tijd te stelpen, dus trailrun ik het grootste deel van de route naar beneden. Vlak voordat we bij de auto zijn, is een andere auto gestrand. Alex heeft geen idee van zijn gewonde poot en loopt vrolijk met een dennenappel in zijn bek naar het duo dat hun auto staat uit te graven. Dan gebeurt iets wat ik niet voorzien had. Alex is zo’n 10 meter beneden me, vrolijk kwispelend. De man bij de auto zegt ‘kssst kssssst’, duidelijk niet gediend van honden. Nog voor ik kan reageren pakt de man een grote steen en wil die naar Alex gooien. Ik roep hard ‘No no no, stop, that’s my dog!!!’, gris split-second mijn fluitje uit mijn zak en fluit Alex naar me toe. Alex heeft geen idee dat de man op het punt staat om een grote steen naar hem te gooien - hij wil alleen maar hallo zeggen en spelen. Alex rent mijn kant op, en de man doet zijn hand naar beneden. Bedreiging verdwenen. Het voorval maakt mij duidelijk dat een dierenleven in Albanië niet veel waard is. Gisteren in het bergdorp werden afvallige geiten of dorpshonden ook meteen met stenen bekogeld. Het respect tussen mens en dier is in Nederland nog niet overal optimaal, maar hier in Albanië heeft men nog een hele lange weg te gaan.

Nabij de top van Mount Tomorr besluit ik om te draaien, vanwege Alex' bebloede poot. Dit uitzicht is bovendien mooi genoeg.

Terug bij de auto, net beneden de sneeuwgrens, likt Alex letterlijk zijn wond en is het bloeden met een paar minuten gestopt. We vervolgen onze weg voor een weerzien met Berat, een van de mooiste historische steden van Albanië en bekend als de Stad van de duizend ramen. De witte Ottomaanse huizen lijken tegen de heuvel geplakt en kijken uit over de Osum River, terwijl boven alles het oude Berat Castle uitsteekt. Het voelt alsof je door een levend openluchtmuseum wandelt waar eeuwen geschiedenis en diverse religies nog steeds naast elkaar zichtbaar zijn. Sinds mijn laatste bezoek ruim 10 jaar geleden is een en ander gemoderniseerd, maar het hart en de gastvrijheid is gebleven. Alex is na een powernap weer helemaal fit for duty en heeft er duidelijk zin in, dus we genieten bovenop Berat Castle van een ontspannen avond met gesprekken met locals en andere reizigers, brutale katten die eten letterlijk van je bord stelen, en een mooi uitzicht over de talloze lichtjes in deze vriendelijke stad. Het is een mooi rustpunt in de reis om weer even in bekend terrein te zijn.
Dag 13 | 7 maart
Een dag vol Balkan-stijl!
Albanië  Noord-Macedonië (230 km)
Er is zaterdagmarkt op veel plekken vandaag. Om te beginnen op een van de bruggen in Berat. Er wordt van alles verkocht, van tuinplanten tot tweedehands bijlkoppen, schoenen, Perzische tapijten, kippen…. Zeg wat je wilt, en er is altijd wel iemand die het langs de straat verkoopt. Liefst op drukke plekken, dus dat zijn vooral rotondes, bruggen en kruispunten. Ik geniet van het tafereel op deze zonnige zaterdagochtend.
Voor me rijdt een Autoškollë. Model uiteraard Mercedes, ergens uit de jaren ’80. Bij elke keer gas geven komen er zwarte pufjes uit. De man op de ezel die wordt ingehaald, lijkt die zwarte damp niet te deren. Het is een heel normaal beeld hier. Ongeveer 1 op de 5 auto’s is Mercedes, en vooral de oude modellen vallen op. Tot begin jaren 90 was Albanië een van de meest afgesloten landen ter wereld. Tijdens het regime van Hoxha waren privéauto’s vrijwel verboden. Na de val van het regime in 1991 ontstond er plots enorme vraag naar auto’s. West-Europa had toen grote aantallen tweedehands Mercedes-diesels beschikbaar. En die stonden te boek als onverwoestbaar, waardoor de meesten nog steeds rondrijden. Ook vandaag de dag is zo’n driekwart van het wagenpark in Albanië tweedehands uit West-Europa. Daarom zie je regelmatig kentekens met herkenbare reclame eronder: voor me rijdt een auto die zijn eerste leven heeft gehad vanuit een garage in Beek in Limburg.

Een Autoškollë (lesauto), uiteraard een mooie oude Mercedes.

Vanuit Berat is het maar 130 kilometer naar de grens met Noord-Macedonië, maar met een gemiddelde van 40 kilometer per uur schiet het niet echt op. Maar dat geeft niet, want er valt zoveel te zien in dit land. Van een eenzame jaknikker, die ijverig aan het pompen is, tot grootschalige kassenbouw (iets primitiever dan bij ons in het Westland) en olijfboomgaarden (waarvan ik gisteravond heerlijke olijven heb mogen proeven). En de dorpen blijven leuk om te aanschouwen, zeker op een mooie dag als iedereen buiten is.
Toeteren zit in de Albanese cultuur. Het kan talloze dingen betekenen: ‘Dankjewel dat ik mocht inhalen.’, ‘Ik kom om de bocht, hoor!’, ‘Hé hallo, jou ken ik, hoe gaat het?’, ‘Rij eens door, gek!’, om maar een greep uit de redenen te geven om hier te toeteren. Je raakt er gelukkig vrij snel aan gewend, net als aan de Balkan-stijl van rijden. Snelheidsbordjes zijn vooral richtlijnen, iedereen rijdt hier vrij praktisch. Daar hou ik van. En je wordt meestal wel door iemand gewaarschuwd met een lichtsein als er weer een politiepost aankomt. Tijdens een van die posten, stond een bordje van 10 kilometer per uur vanwege wegwerkzaamheden. Ik laat mijn auto uitrollen. 60… 50… 40… 30… Oeps, 10 kilometer per uur is wel heel langzaam hier. Intussen gebaart de politieagent driftig dat ik een beetje vaart moet maken. Ja ja, rijd nou maar door zeg!
De grenspost is op een bergpas, vlakbij het Meer van Ohrid. In tegenstelling tot de vorige, die knalpaars was, is hier het toegangsgebouw neon-oranje. Ik heb zoals altijd de papierwinkel weer keurig klaarliggen. Hier en daar wordt een auto gevraagd de kofferbak open te maken. Benieuwd wat er nu weer allemaal gaat gebeuren. Bij het uitgaan van Albanië, vraagt de douanebeamte waar ik ben geweest. Ik antwoord keurig in gemaakt steenkolenengels (dan heb je een grotere kans dat ze je verstaan dan wanneer je Britse volzinnen componeert). ‘You like Albania?’ De man kijkt me aan. Ik antwoord uiteraard licht overdreven dat ik het helemaal fantastisch vind. Ok, dan mag je naar het volgende poortje.

Entree van grenspost Qafë Thanë, Albanië en Noord-Macedonië.


Aan de Noord-Macedonische kant krijg ik wederom de vraag waar ik precies heen ga en hoe lang ik ga blijven. Het helpt als je op dit soort vragen vooraf een goed verhaal hebt, zodat je met zelfvertrouwen kunt antwoorden. Hij vraagt naast de gebruikelijke papieren ook naar mijn groene kaart. Dat die tegenwoordig digitaal wordt verstrekt en het dus nu een zelfgeprint velletje op wit papier is, boeit hem gelukkig niet. Even later mag ik gaan, en ben ik in Noord-Macedonië.

Het prachtige en serene meer van Ohrid.

Na alle avonturen van de afgelopen dagen, trakteer ik Alex op een zwempauze aan het meer van Ohrid. Het is een welkome stop op een dag die toch veel in de auto is doorgebracht.
We overnachten in Bitola. Aan de rand van de stad zie ik een groot aantal zwerfhonden. Nog meer dan in Albanië en in Roemenië. Zelfs puppy’s zijn er bij. Het breekt mijn hart dat zoveel honden hier in de Balkan en Roemenië zo’n slecht bestaan hebben. Maar ja, dat geldt helaas ook voor heel veel mensen in vele delen van de wereld.
Vlak voor het eten, in het schemerdonker, laat ik Alex nog even uit in de boomgaard naast het hotel. Nadat hij klaar is met wat die wil doen, keren we terug naar de weg. Ik kijk naar rechts (het hotel ligt links) en ik zie vier zwerfhonden paraat staan. Ze zetten direct de aanval op ons in. Het is ca. 150 meter naar het hotel. Tegen alle adviezen in, zetten we het toch maar op een rennen, want ze zijn me met teveel. Ik laat Alex' riem los en zeg ik 'go go go!!!' en ren achter hem aan naar het hotel. Zonder achterom te kijken, ren ik zo hard als ik kan. We zijn op tijd binnen. Close call. Maar weer gered. Zwerfhonden in dit deel van Europa zijn niet uit op mij, maar wel op Alex. Een 'outsider' hond is een bedreiging voor hun territorium. En Alex spreekt de straathondentaal nog niet helemaal. Dus door hem los te laten en als een speer naar het hotel te gaan, hebben we de 'bedreiging' voor het territorium van de zwerfhonden afgenomen. 
De avond brengen we door in een hotel met lekker eten en livemuziek. De menukaart met specialiteiten is enkel en alleen in het Cyrillisch. Net als in enkele andere Slavische landen is Cyrillisch in Noord-Macedonië het primaire schrift. Ik heb lol in het ontcijferen van alle karakters, die vaak leiden tot woorden die verrassend veel lijken op die van ons. Het Cyrillisch is ontstaan in dit deel van Europa, en niet in Rusland zoals veel mensen denken. Het werd ontwikkeld in het Eerste Bulgaarse Rijk door leerlingen van Cyrillus en Methodius, terwijl de regio rond Ohrid een belangrijke rol speelde in de verspreiding ervan. Zo is dit schrift een belangrijk deel van de cultuur en identiteit van de regio geworden.
Naarmate het volume van de livemuziek ’s avonds toeneemt, neemt ook de frivoliteit van het personeel en publiek toe. Het feest is ter ere van International Women's Day morgen. Alex en ik zitten als outsiders in de lobby tussen twee gedeelten in, maar horen er vanavond helemaal bij. Vanuit de keuken wordt een borrelplank gebracht. Op acrobatische wijze pakt de ober een plakje kaas van de plank en gooit het in een salto naar Alex. Ik moet toegeven: we hebben het hier onwijs naar ons zin als outsiders hier in een niet-toeristisch deel van Noord-Macedonië op zaterdagavond. Wat een prachtige ervaring!
Dag 14 | 8 maart
Hello Hellas!
Noord-Macedonië  Griekenland (295 km)
Een wekker zetten is overbodig, want de zon komt hier al om 05:58 op. We zitten aan de rand van de tijdzone - Griekenland ligt hier hemelsbreed zo’n 15 kilometer vandaan en daar gaat de klok een uur vooruit. Ik word ook gewekt door het geblaf van de roedel honden. Vanuit mijn raam zie ik ze in de vroege ochtendzon op de parkeerplaats liggen. Drie volwassenen en twee pups. Het geblaf is tussen hen en de hond van het hotel, die gisteravond de hele avond vredig naast Alex heeft gelegen. De hotelhond wint het niet, want even later zie ik ze nabij de ingang van het hotel rondzwerven. Ik besluit het schouwspel en de ‘hoe-kom-ik-straks-heelhuids-met-Alex-naar-de-auto-uitdaging’ maar even links te laten liggen, en start de dag met een lekker ontbijt beneden in de ontbijtzaal.
Bij het uitchecken zijn de honden met de noorderzon vertrokken. Op zoek naar een andere plek met meer eten, denk ik. Dat is gunstig. Alex mag echter nog niet vertrekken. Hij moet wachten tot hij een dikke plak ham van zijn twee favoriete obers van gisteravond heeft gekregen. Nog even een high-five, en dan zetten we koers naar Griekenland.
Met een dubbel gevoel rijd ik richting de grens. Nog even voltanken voor omgerekend 1,21 euro per liter, en dan aansluiten in de korte rij bij de Меџитлија-Νίκης grensovergang. Van Cyrillisch naar Grieks. Het gaat allemaal veel soepeler dan verwacht. Misschien helpt het dat: 1) Alex ligt te snurken in de kofferbak, dus niemand ziet dat ik een hond bij me heb; 2) het vandaag International Women’s Day is. Het laatste poortje, de goedereninspectie, wordt bemand door een Griekse vrouw. Ze kijkt me aan, glimlacht, en zegt: ‘Lady, you can go’. Zelden ben ik zo vriendelijk behandeld bij een niet-Schengen grensovergang. Hello Hellas!

Donkere wolken pakken zich samen boven Limni Vegoritida.

Het is opmerkelijk hoe snel je gewend raakt aan de omgeving waar je bent. Na 10 dagen buiten de EU/EEA geweest te zijn, ben ik volledig gewend aan het rommelige straatbeeld, het rommelige maar prima voorspelbare verkeer, de straathonden, de prijzen… Vandaar het dubbele gevoel. Deze regio geeft je het gevoel echt een reiziger te zijn. Ongepolijst, maar ontzettend mooi, avontuurlijk en gastvrij. Dit is mijn derde reis door de Balkan, maar ik heb me nu al voorgenomen dat ik vaker terug zal komen.
De eerste meters in Griekenland voel ik euforie. Samen met Alex al zoveel landen van de Balkan doorkruist en nu in Griekenland! Het voelt enerzijds onwerkelijk dat ik dit nu solo heb gedaan, maar anderzijds ook weer heel vertrouwd. 
Griekenland is echt duidelijk EU en ergens voelt het na 3500 kilometer zwerven ook weer even als thuiskomen. Matrixborden boven de snelwegen, goed georganiseerde wegwerkzaamheden, overdaad aan verkeersborden, serieuze prijzen in de horeca. Maar wat zijn de mensen hier in Noord-Griekenland vriendelijk en gastvrij. Iedereen die denkt Griekenland te kennen als je Athene en een paar eilanden hebt gezien: nee. Het hart van Griekenland ligt op het vasteland.

Een boerderij met kersenbloesems nabij Palaiokastro. Overal staan kersenbomen in bloei, heerlijk!

Na een zwempauze voor Alex in Limni Vegoritida (een rustig meer) en een wandeling rond Palaiokastro vervolgen we onze weg naar Metsovo. 
In Metsovo is het nog volop winter. De plat liggende planten lijken pas net verlost van de sneeuw en in het dorp is de kerstverlichting nog volop aanwezig. Na het eten struin ik nog wat door het dorp. Ik neem een kijkje onder het afdakje van een winkel die allerlei handgemaakte spullen verkoopt. Er komt een dame naar buiten die zegt dat ik gerust met Alex naar binnen kan komen. 
Het is best een grote winkel, maar met zoveel verschillende soorten spullen dat ik niet weet waar ik eerst moet kijken. Achterin de winkel zit haar man. Er staan twee glazen wijn op tafel en borden met eten. ‘Kalispera, enjoy your meal!’ zeg ik vrolijk tegen ze. Er komt een gesprek op gang, en we hebben het samen over reizen door Europa, allerlei mooie plekken, en fotografie. De man blijkt fotograaf te zijn, hoewel hij zichzelf zo niet wil voorstellen. Hij laat zijn boek zien, dat te koop is in de winkel. Een collectie mooie, krachtige analoge zwart-wit beelden van Pindos en het gebied rond Meteora, beide plekken waar ik ook heel enthousiast over ben. Ik vraag hem een exemplaar te signeren. Inmiddels heeft zijn vrouw mijn boek On the Road in Europe gevonden in een Griekse webshop. Ze willen in september naar de Noordkaap rijden vanuit Griekenland (dát is pas een afstand, dames en heren). Ze bestellen mijn boek maar vragen mij of ik de volgende keer in deze regio weer langs Metsovo kom om het boek te signeren. Dat beloof ik.
Dag 15 | 9 maart
Griekse dorpen, Griekse wijnen.
Griekenland (305 km)
Metsovo is niet alleen een wintersportdorp in het noorden van Griekenland, het heeft ook een van Griekenlands hoogst gelegen wijngaarden. Na de Tweede Wereldoorlog heeft Evangelos Averoff hoogst persoonlijk Franse druifsoorten hier aangeplant, omdat de Griekse variëteiten meer warmte nodig hebben. Het resultaat: unieke, smaakvolle wijnen, die zeker niet typisch Grieks zijn. De beste man is in 1990 overleden, maar heeft er wel een standbeeld in het dorp aan overgehouden. Ook bijzonder: het etiket is nog steeds het oorspronkelijke etiket van weleer. Iets dat goed is, hoef je niet te veranderen, zo blijkt maar weer.

Het pittoreske Metsovo in Noord-Griekenland.

Ik krijg een privé rondleiding in de wijnkelders. Tot mijn grote verbazing mag Alex gewoon mee. Ik denk dat hij een van de weinige honden is die ooit een wijnkelder heeft bezocht. Zoveel geuren en kleuren, hij vindt het maar wat interessant. Leuk detail is dat de beren in dit gebied het vooral op Merlot gemunt hebben; die zijn lekker zoet. Heel wat druiven worden door de beren opgegeten elk jaar. Na de tour gaan er drie flessen van het rode goud van de overgebleven druiven mee op de rest van de reis, en ik vervolg mijn weg naar het zuiden.
De route is een afwisseling van schitterende bergpassen en snelweg. Ik breng een bliksembezoek aan mijn favoriete fotografieplek in Meteora, waar ik over een week wat meer tijd zal hebben. Maar het was té aantrekkelijk om er nu níet ook even langs te rijden, ook al waren de condities niet optimaal (bewolking en heel veel touringcars…)

Het bergdorp Eleonas.

Richting het zuiden maken zwerfhonden steeds meer plaats voor zwerfkatten, en eikenbomen steeds meer plaats voor cypressen. Her en der ligt een dorp schilderachtig in de bergen.
Na de laatste bergpas verschijnt de Peloponnesos in zicht. Maar vanavond blijf ik nog aan de andere kant van het Kanaal van Korinthe, in de kleine kustplaats Galaxidi. Er verschijnen verse sardientjes op mijn bord, terwijl de temperatuur flink daalt na zonsondergang. Ik schiet nog wat foto’s tijdens het blauwe uurtje in de frisse zeewind, waarna ik neerstrijk in een lokaal café om dit verhaal te typen.

Galaxidi tijdens het blauw uurtje.

Dag 16 | 10 maart
Avontuur is niet altijd te koop.
Griekenland (310 km)
De dag begint met een Grieks ontbijt van een zeer vriendelijke dame. Bij het uitchecken krijg ik een souvenirtje mee, en ze wenst me een fijne reis. Al net zo’n lieve vrouw als de dame met wie ik gisteravond nog een hele tijd heb staan praten. Tot nu toe voelt Griekenland net als eerdere bezoeken zeer vriendelijk. Je voelt je hier echt welkom.
We wandelen door het naamloze maar prachtige bos aan de andere kant van de kleine baai van Galaxidi. Sansevieria’s en cactussen met besneeuwde bergtoppen op de achtergrond. Rode bloemen die de klavervelden tussen de mooie naaldbomen kleuren. De zon die door het open bos al lekker warm aanvoelt. We doen er lekker lang over, het is echt fijn hier vanochtend. Alex neemt daarna een duik in de zee en we kuieren vervolgens nog wat door het dorp. Maar zo rond 11 uur is het tijd om te gaan. Alex wil niet, die vindt het hier veel te leuk. Snap ik. Ik probeer: ‘Waar we heengaan is het ook leuk!’ maar hij denkt alleen maar aan de zee. Hij is echt verliefd op water. Ik pak de ‘je-gaat-toch-niet-écht-weg-zonder-mij-truc’ voor het eerst sinds ruim een jaar weer uit de doos. Dat werkt zo. Alex wil niet mee omdat hij het te leuk vindt waar hij is. Je geeft hem een paar keer de kans. Dan doe je de kofferbak dicht en zeg je ‘Nou, dan ga ik zonder je hoor!’ Daarna start je de auto, rijd je 10-20 meter heel langzaam. Dan zie je hem zijn voorpootje optillen en denkt hij vast iets als: ‘Oh jee, als ze maar niet zonder mij gaat!’ Uitstappen, kofferbak open, en Alex springt er dan meteen in. Met een grote glimlach doe ik de kofferbak dicht; dat eigen willetje is heerlijk om te zien.
Op naar de Peloponnesos. De indrukwekkende Charilaos Trikoupis Rio-Antirrio Bridge verbindt het schiereiland met de rest van Griekenland aan de westzijde. Er volgt een rustige maar mooie rit met een korte pauze in Xylokastro. Wederom zo’n tot de verbeelding sprekende naam. Vanavond slapen we in een bergdorp in de buurt van Dimitsana, waarvan ik de naam niet kan spellen, ook niet in het Latijnse schrift, en ik kan het onmogelijk uitspreken. Het is een rustig dorpje dat te boek staat als een mooie kans om weer ‘met de natuur te connecten’. Eind van de middag arriveer ik en vind ik de sleutel precies op de aangegeven plek. Ook hier ben ik weer de enige gast.
De zon schijnt nog flauw boven de bergen, dus Alex en ik besluiten het graspad in het veld beneden ons te ontdekken. Vanuit onze kamer kijk je uit over een prachtige vallei. Via een drinkwaterbron loop ik naar beneden naar het graspaadje, en we kuieren wat rond. Ik probeer een goede compositie van het dorp te vinden voor een foto. Er staan her en der struikachtige bomen in het veld, dus het is zoeken naar de beste plek. Alweer op de weg terug valt mijn oog op een kale boom die begroeid is met allerlei kleuren mos. Ik fotografeer wat. Alex graaft een gat naast me. Net als ik klaar ben en terug naar mijn kamer wil lopen, die ik op 250 meter afstand zie, hoor ik links een geluid. Een paard. Ok. Wat doe jij hier ineens, vraag ik me af? Denkt hij van ons ook. Hij komt nieuwsgierig op ons af. Nog niets aan de hand. Alex heeft goed respect voor paarden en hij ziet ze dagelijks op de Veluwe. Nooit een probleem.
Maar dan verandert zijn humeur. Oren in de nek. Oh jee. Stiekem weet ik wel iets van paarden (ik heb van mijn 3e tot mijn 15e fanatiek paardgereden en daarna nog incidenteel op reis). Dus ik herken het ook als het niet goed is. Ik beweeg me langzaam naar een van die struikachtige bomen die net nog zo in de weg stond op de compositie. Het is een dichtbegroeide boom met stekelige takken. Ik manoeuvreer om de boom heen, het paard op 180 graden van mij houdend. Het beest is nijdig geworden, en bokt. Oh jee, dit begint een probleem te worden. Ik overweeg mijn opties. Steen en tak pakken en afschrikken? Vluchten? Dat laatste is sowieso geen goed idee, een paard is veel sneller dan ik, en ook sneller dan Alex denk ik. 
En dan… komt paard nummer twee op ons af. Hij daagt ons uit, ook de oren in de nek, bokken. Ik vloek woorden die ik niet in dit blog verwerk. Waar komen die paarden ineens vandaan? Ik zit met Alex hier echt groots in de problemen. Ze komen eng dichtbij. Ik duik heel diep de struikboom/boomstruik in. Mijn rugzak zit vast. Ik ben nog niet diep genoeg in de boom, want een van de paarden knabbelt aan Alex’ staart en aan de vacht op z’n rug. Af en toe met de voorhoef schuifelen als waarschuwing. Alex is net zo bang als ik en verschuilt zich steeds dieper bij mij. Als ze nu bokken zijn ze binnen bereik van mijn hoofd en die van Alex… Niet aan denken. Hup, dieper verschuilen in de takken van die boom. Ik breek een paar takken en weet mijn rugtas naar voren te krijgen als schild voor als het fout gaat. Ik zit echt heel, heel, heel erg diep in de penarie. En ik weet genoeg van paarden dat ik hier niet zonder hulp vandaan kom. Dus… ik bel 112
Na wat Griekse woorden krijg ik iemand aan de lijn die ook redelijk Engels kan. Ik leg de situatie uit, maar moet het vaak herhalen omdat het te bizar voor woorden is. En ik kan de naam van dit dorp niet uitspreken. Ik stel voor mij coördinaten te delen. ‘Yes, please!’ Komt je geo-kennis toch nog ergens van pas. De lijn is slecht en ik moet de coördinaten tig keer herhalen, maar ze zegt dat ze ze heeft en dat de politie onderweg is. Geen idee hoe lang het kan duren. Ik bel intussen met mijn wederhelft. Die zegt, bel ook de eigenaar van je kamer, misschien weet die van wie de paarden zijn en kan die het snel oplossen. Slim. Drie keer krijg ik voicemail, de vierde keer achter elkaar neemt iemand op. Ik vertel mijn penibele situatie die elk moment verkeerd kan aflopen, maar ze begrijpt me niet goed en denkt dat ik belaagd wordt door twee mannen. 'No, two horses... HORSES, GORSES!'  
Ze belt wat heen en weer met haar ouders en een vriendin die vlakbij woont en beter Engels kan. Die mag ik bellen. ‘Mag ik haar nummer dan?’ Vraag ik haar met paniek in mijn stem. ‘Oh ja. Is waar ook, dat nummer heb jij niet.’ Hier komt het. Dan bel ik die vriendin. Die begrijpt meteen de situatie. Zo’n 50 minuten na mijn 112 belletje vangt zij de politie op in het dorp. Ik kan de zwaailichten zien tussen de takken door. Via telefoon houden we contact. Intussen winnen de paarden wederom terrein door de blaadjes en takken gewoon op te eten en af te breken. Als ze weer aan Alex zitten schop ik ze virtueel (zonder ze te raken) met mijn voet om ze te laten schrikken. Maar die truc is eindig. Hoe lang gaat dit nog goed totdat ze bokken? Schuifelen... beetje happen...
De politieauto rijdt richting het graspad. Inmiddels is de zon onder en zet ik de zaklamp van mijn telefoon aan en zwaai ik vanonder de boom. Ineens zie ik de paarden rondrennen, ze worden verjaagd door de politieagenten. Een man en een vrouw. Ze zeggen dat ik snel mee moet komen, maar ik zit volledig verstrikt in de struikboom. Ik geef eerst Alex aan de politievrouw. ‘Is this a good dog?’ Ik zeg ‘Yes, this is the friendliest dog you will ever meet.’ Ze pakt de lijn maar Alex is zó blij met z’n redding, dat ze hem niet houdt. Ik roep hem terug en gelukkig snapt hij de ernst van de situatie en komt hij meteen keurig naast me. Ik moet met Alex direct achter de politievrouw blijven. Ze vraagt me stenen te pakken waar ik mee kan gooien als afweer. Ze moet toegeven, deze paarden zijn een stuk wilder dan ze had verwacht. Wild rennen ze om ons heen. De politieman loopt voorop met stokken en stenen en oerkreten de paarden te verjagen. Een enkele keer is het tricky, maar we halen uiteindelijk heelhuids de auto. Hop, Alex mee op de achterbank. We zijn gered. De politievrouw is ook zichtbaar opgelucht, dit ziet ze niet elke dag. En wat ze nog nooit gezien heeft… een hond op de achterbank! Dus er moeten volop selfies gemaakt worden in de welgeteld 1 minuut durende rit naar mijn kamer. We praten nog wat na, ook met de mensen uit de buurt die te hulp zijn geschoten en ons van wat water voorzien. De politieagente geeft me een knuffel en ze gaan weer.

Alex en ik veilig in de Griekse politieauto: een hond in de auto is een primeur voor hen!

Ik kan vertellen dat dit misschien wel het meest bange uur van mijn leven is geweest. Instinctief wist ik meteen dat ik enorm in de problemen zat en dit niet alleen kon oplossen. Hoe mooi is het dat er dan een telefoonnummer is dat altijd opgenomen wordt? Hoewel het even duurde voordat de hulp er was (ik heb precies een uur onder die boom gezeten), en ja - het had ook verkeerd af kunnen lopen en het zag er even niet goed uit - is het uiteindelijk helemaal goed afgelopen. Eind goed, al goed! Ik moet alleen morgen een scheur in mijn jas naaien. Nou ja, vooruit dan, zéér klein leed ;-)
Dag 17 | 11 maart
Wonden likken in Areopoli.
Griekenland (140 km)
Twee bosuilen beginnen een gesprek aan het eind van de nacht. Zijn jullie daar niet een beetje laat mee? Ik draai me nog eens om. Na alle indrukken van gisteren heb ik wat slaap in te halen.
Vanaf het balkon van mijn appartement reconstrueer ik de ‘crime scene’ van gisteren. Had ik iets anders kunnen doen? Was het echt zo raar en dom dat ik daar liep? Het denk het niet. Ik was gewoon in the wrong place at the wrong time. Nieuwe ervaring. Check. En door. Vandaag rijden we naar het uiterste zuiden van mijn reis. Nou ja, bijna dan. Ik heb een appartement in Areopoli gehuurd, zo’n 40 km ten noorden van het zuidelijkste punt. Die vuurtoren en de scenic route erheen staan voor morgen op het programma. Vandaag rustig aan. Alex is moe, ik ben moe. Stiekem heeft de gebeurtenis van gisteren veel indruk gemaakt. 
Onderweg zet ik koffie langs de weg en naai ik de scheur in mijn jas, want de vulling valt eruit. Die scheur is zo'n vijf bij vijf centimeter, met een perfecte hoek van 90 graden. Een grappig detail is dat ik al sinds de allereerste lange roadtrip in 2010 altijd een naaisetje bij me, bestaande uit een naald en en klosje wit en een klosje blauw uit oma's naaidoos van vroeger. Dit is de eerste keer dat ik het setje heb gebruikt. En die klosjes zijn al minstens 30 jaar oud. Topkwaliteit.
 Rondom Areopoli genieten we van de weelderige bermen langs de weg, die vol onbekende bloemen staan. Het voorjaar is hier duidelijk een stuk vroeger dan bij ons in Nederland. Cactussen en onbekende planten kleuren hier het veld. Ik vind het heerlijk om te zien, en de stress glijdt langzaam van me af.
Areopolis is gezellig maar staat ook duidelijk nog niet ‘aan’. Het seizoen begint hier later. Evengoed vermaak ik me hier prima met lekker eten en leuke gesprekken. De Grieken zijn zeer gastvrij, en Alex is overal welkom. Na deze tussendag om bij te komen, heb ik weer zin in morgen.
Dag 18 | 12 maart
Briki en pyrgospita.
Griekenland (100 km)
Na het vaste ochtendritueel start ik de dag met een Griekse koffie op het marktplein. Griekse koffie wordt gemaakt met zeer fijn gemalen koffiebonen die rechtstreeks met water wordt gekookt in een Briki, een klein metalen pannetje. De knalblauwe maandag dat ik in mijn tienertijd in een Grieks restaurant werkte, kon ik ze ook maken. Het smaakt echt anders dan espresso, maar is ook lekker sterk en vol van smaak. Door de zanderige drap die achterblijft, drink je het laatste beetje niet op. Ik geniet van de ochtendzon en bel wat met klanten in Nederland.
Op het programma staat een rondje rond Mani, het bijzondere schiereiland dat de middelste ‘vinger’ van de Peloponnesos vormt. Het is een ruig landschap van bergen en kustlijn. Bossen zijn hier niet. Enkel struiken en her en der een boom durven de schrale kalksteenbodem aan. Wat meteen opvalt in het landschap, zijn de pyrgospita. Deze stenen torenhuizen staan overal in het landschap. Ze boden vroeger verdediging tegen rivaliserende families en piraten, maar waren tevens een statussymbool. Vandaag de dag is het een bizar landschap van woeste bergen met eengezinskastelen.

Een typische pyrgospita: een tower house. Schiereiland Mani staat er vol mee.

In december 2018 bracht ik mijn eerste bezoek hier. En ik vond het zo indrukwekkend, dat ik wilde terugkeren. Dit keer met Alex.
We maken de prachtige wandeltocht naar de vuurtoren van Kaap Tainaron, op het verste punt van mijn reis én het zuidelijkste punt op het Griekse vasteland. De kortste route naar kantoor Knalblauw is zo’n 3100 km vanaf hier. Het duurt dus nog wel even voordat we thuis zijn.
Op dit verste punt is het tijd voor een reisportret van ons beiden. Ik zet mijn statief klaar, die ik vanaf nu altijd mee wil nemen als ik de velden in ga - als wapen. Maar vandaag dient het zijn normale doel en maken we een foto waar ik een glimlach van krijg. Dit zijn Alex en Sabine. Twee reizigers die de hele route van Nederland naar het uiterste puntje van Griekenland samen hebben afgelegd. We hebben heel wat avonturen beleefd, maar wat is het reizen door Europa toch schitterend. Ik voel me in mijn element.

Poseren bij de vuurtoren van Kaap Tainaro/Tenaro.

De route terug is al even spectaculair als de route heen. Ik stop heel even op dezelfde plek als in december 2018. Wat is dit een ontzettend gaaf uitzicht!

Het uiterste deel van Mani Peninsula.

Eenmaal terug in ons mooie appartement in Areopoli rusten we lekker even uit. Ik werk wat en Alex slaapt lekker bij. Met dit mooie weer is het hier heel goed toeven.
Voor het diner ga ik naar hetzelfde knijpje als gisteren. Waar de grijze kater gisteren nog een politiek gedoogbeleid voerde richting Alex, staat hij vandaag blazend voor de ingang. Na het paardenincident kan ik eigenlijk alleen maar lachen om een blazende kat, maar de eigenaresse van het restaurant zegt dat ik toch maar beter via de artiesteningang naar binnen ga. De kachel staat vandaag gelukkig wel aan. Gisteren was het best koud hier. Maar de rookpijp is vandaag gereinigd, dus de klassieke kachel kan doen waarvoor die is bedoeld: de gasten en het personeel opwarmen. Waar er gisteren nog wat tafeltjes zaten, is het vandaag leeg. Dus ik klets wat met de eigenaresse, die lekker dicht bij het vuur zit. Dat zou ik ook wel willen, maar de kat voorkomt dat. Dus zitten we op afstand en warm ik mezelf (zonder Alex) af en toe op door heen en weer naar de kachel te lopen. Pas vanaf Pasen wordt het hier een beetje gezellig, begrijp ik van de eigenaresse. De winter en het vroege voorjaar zijn lastig. Ik hoor wat ik al dagen hoor, en ook op mijn eerdere trips naar het vasteland van Griekenland heb gehoord. Elke toerist denkt dat het in Griekenland alleen maar zomer is. Maar Griekenland heeft veel heftigere seizoenen dan wij. Op sommige plekken is het maar twee maanden per jaar zomer. Dit land is echt veel ruiger dan alle tourguides je willen doen geloven. Maar juist daarom blijf ik terugkomen. Dit is een gaaf land, met buitengewoon gastvrije mensen.

Het leven als een 'travel dog' is zo gek nog niet. Ik droom straks weer van alle nieuwe indrukken.

Dag 19 | 13 maart
Weerzien in en met Athene.
Griekenland (305 km)
Er liggen gele ballen op het terras, die er gisteren nog niet lagen. Normaal gesproken zou Alex er meteen op afspringen, maar dat doet hij vandaag niet. Hij heeft geleerd van een eerdere reis. Het zijn namelijk citroenen die uit de boom zijn gevallen, en dat soort balletjes zijn hem toch wat te heftig.
Ik ben ongeveer een werkweek rijden van Nederland, en vanaf vandaag rij ik weer eens naar het noorden in plaats van naar het zuiden. Het eerste deel van de route richting Tripoli is erg mooi. De besneeuwde toppen van de Taygetus Mountains zien er indrukwekkend uit. Er valt hier nog zoveel moois te zien, maar dat bewaar ik voor de volgende keer.

Zicht op de Taygetus Mountains.

Vandaag reis ik af naar Athene, waar ik Rainier zal ophalen van het vliegveld. Dan volgt ruim een week lekker toeristisch genieten samen, alvorens ik mijn solo-Balkan-avontuur hervat op 22 maart. Dit blog gaat daarom tijdelijk op pauze. Op de 22e of 23e zal ik het verhaal hervatten vanuit Servië. Tot de week van Goede Vrijdag (3 april) ben ik op reis, dus we hebben nog wat tegoed. Stay tuned!
Back to Top